Hoe effectief zijn de behandelingen in de Nederlandse verslavingszorg? Leveren de inspanningen het gewenste effect op? Is het überhaupt mogelijk de effectiviteit van de sector vast te stellen? Tot nu toe is het maar weinig instellingen gelukt om een antwoord te geven op deze vragen. En die behoefte aan antwoorden is zeker aanwezig binnen de sector zelf, maar ook bij de burger, de politiek en zorgverzekeraars. Dat waren de belangrijkste aanleidingen voor het onderzoek dat wordt beschreven in mijn proefschrift ‘Routine outcome monitoring and learning organizations in substance abuse treatment’ (vormgeving: Clare McNally).

Met een – in het onderzoek ontwikkelde- telefonische meetmethode hebben Brijder Verslavingszorg, de Jellinek en Novadic-Kentron als een van de eerste instellingen in Nederland beschikking over wetenschappelijk verantwoorde routinematige cijfers over resultaten van hun behandelingen. Zo blijkt dat een cognitieve gedragstherapie voor verslavingsproblemen voor 43% van de behandelde patiënten succesvol is. Dat succespercentage is ook wat men kan verwachten op basis van wetenschappelijke trials. Dus, in tegenstelling tot het gangbare beeld van falende behandelingen en draaideurpatiënten, kan gezegd worden dat de verslavingszorg goed presteert.
De instellingen gebruiken de cijfers over de resultaten voor hun kwaliteitsbeleid en de resultaten worden elk half jaar besproken met de betreffende behandelteams. Ook geeft het de instellingen de mogelijkheid om de prestatie-indicatoren over het resultaat op een – voor de Nederlandse GGz uniek – goede manier in te vullen.
Routine outcome monitoring & learning organizations in substance abuse treatment. Suzan Oudejans, 2009. Academisch Proefschrift. Faculteit Geneeskunde, Universiteit van Amsterdam. Promotoren: Prof. Dr. G.M. Schippers & Prof. Dr. W van den Brink; Co-promotor: Dr. M.W.J. Koeter
Openbare verdediging:
Dinsdag 19 mei 2009 / 10:00 uur
in de Aula van de Universiteit van Amsterdam,
de Oude Lutherse Kerk, Singel 411 (hoek Spui) te Amsterdam.